Overweging bij Jesaja 50, 4-9; Psalm 116; Marcus 8,27 – 9,1. 24e zondag door het jaar, 16 september 2012

I

We leven in behoorlijk vreedzame tijden. We kunnen ons huis uitgaan zonder groot gevaar voor eigen leven, terwijl stadsmuren en verdedigingsgreppels toch nergens te bekennen zijn. Er luidt aan het einde van de middag geen klok die ons maant ons terug te trekken op een veilige plaats. Zelfs ‘s avonds kunnen we nog ongewapend over straat. Het meeste gevaar is nog te duchten ’s ochtends: van ouders in terreinwagens die hun kinderen snel en veilig naar school willen brengen.

Hoewel strijd en geweld hier en nu dus een opmerkelijk kleine rol spelen vergeleken met vroeger tijden en menig ander land op deze aarde, gebruiken we graag krijgshaftige beelden om ons leven te karakteriseren. ‘We vechten voor iedere stem’, zegt de politicus die liefst ‘met zijn poten in de modder staat’. Op je werk moet je knokken voor je baan. Een relatiecrisis kan ontaarden in een vechtscheiding. En zelfs in het ziekbed wordt gevochten tegen celdelingen die als sluipmoordenaars op de loer liggen.

Natuurlijk kan het goed zijn het vuur op te stoken om niet weg te zakken in moedeloosheid. Maar bij een heroïsch mensbeeld hoort een dualistisch wereldbeeld. De held of heldin trekt ten strijde tegen het kwaad en vergaart roem, voor zichzelf of voor een ander, in eerste instantie in dit leven, maar als dat erbij inschiet in een volgend. Velen zijn helden tegen wil en dank. Ik was van de zomer in stadjes waar zwaar slag is geleverd in de Eerste Wereldoorlog. De arme kerels die toen zinloos de dood zijn ingejaagd, werden op gedenkstenen postuum tot vaderlandse helden gebombardeerd. Gestorven voor Frankrijk.

De Bijbel kent ook dat soort helden, Samson bijvoorbeeld, die zijn tegenstanders naar de Filistijnen helpt, zelfs als dat het laatste is wat hij nog kan doen en daarbij zelf het leven laat. Maar in de Bijbelse traditie klinkt ook een ander, nieuw geluid waar Jesaja van rept, en waar Marcus van getuigt.

II

De dienaar van de Heer die in Jesaja aan het woord is, beroept zich niet op zijn heldendaden, maar op zijn standvastig vertrouwen. Hij ondergaat het dat zijn baardharen worden uitgerukt, omdat hij vertrouwt op de belofte die is aangezegd. Toch ontbreekt hier ook niet het genoegen dat zal worden gesmaakt wanneer de tegenstanders het onderspit zullen delven. (Dat vers wordt de kerkganger elders dan ook kies onthouden, maar is hier wel gelezen: ‘Mijn belagers vallen uiteen als een kledingstuk, als een gewaad dat ten prooi is aan de motten.’) Toch nog heroïsche taal.

De traditie van de lijdende knecht wordt voortgezet in het latere joden- en christendom. In het evangelie van Marcus krijgen we de omslag als een filmscène voorgeschoteld. Ook hier klinkt het heroïsche en het nieuw-messiaanse geluid naast elkaar.

Wie zeggen de mensen dat ik ben?, vraagt Jezus aan zijn volgelingen op weg naar een stel dorpen in de buurt van een Romeinse stad buiten Israël, in de Golan-hoogten. Ze zien in jou De Terugkeer van Johannes de Doper (die koning Herodes net heeft laten onthoofden); The Comeback of Elijah (die ooit levend met wagen en al de hemel inging en nu wellicht is teruggekeerd); een profeet zoals je die vroeger had. Het nieuwe wordt altijd gekend door te verwijzen naar wat bekend is.

‘En jullie?’ ‘De Messias’, zegt Petrus – dat is: de Gezalfde, de Bevrijder, de zoon van Koning David. Ook een bekend beeld, nog gevaarlijker dan de andere beelden. Logisch dat dat geheim moet blijven: een troonpretendent is zijn leven niet zeker. Dus: geen thema voor de campagne, deze titel. Jezus zelf spreekt vervolgens over de Mensenzoon, weer een nieuw beeld: een hemelse gezant. Is dat zijn eigen antwoord? En verbindt hij dat met dat antwoord van Petrus: ‘de Messias’? Het lijkt erop. Maar hoezeer de beelden ook spreken van bevrijding en hemelse bijstand, hij corrigeert ze door te spreken over lijden – en opstanding. Petrus neemt hem bij zich en vermaant hem. Hoe? Misschien wel heel opbeurend: Hé, de kop niet laten hangen. We gaan ervoor. Dat laten we niet gebeuren. We gaan de strijd met onze tegenstanders aan.
Maar weten doen we het niet.

En dan: Jezus draait zich om, zegt met zijn gezicht naar de leerlingen dat de Tegenstander (Satan) nou juist aan het werk is in het bezwaar van Petrus. Je denkt niet ‘goddelijk’, maar ‘menselijk’. Jezus wil een andere manier van denken invoeren, de strijd aangaan met de manier van denken die alles stuk maakt. Wat is die nieuwe manier van denken? Dat kunnen we opmaken uit wat hij vervolgens tegen de leerlingen èn omstanders zegt. Kennelijk voelt hij zich door dit incident geroepen om de gerezen verwachtingen te corrigeren:

Mijn volgeling moet bereid zijn de consequenties te dragen: je gezicht verliezen, je ego opgeven, ja ‘lijf en goed verliezen’ (Van Randwijk). En dat is geen lijdzaam verhaal. Hij eindigt zelfs met een opzwepende boodschap: En jazeker, dat Koninkrijk van God, dat komt er. Jullie gaan het meemaken dat dat nieuwe, hemelse, baanbrekende regime zich vestigt. (Ook zo’n vers dat in de misboekjes wordt weggelaten.)

III

Want het blijft revolutionair, dat goede nieuws dat hier wordt verkondigd, maar ànders. Er staat iets geweldigs te gebeuren; daar moet je alles voor over hebben; dan zul je echt leven.
En het blijft een boodschap ‘buiten categorie’ want elke keer (niet alleen in de politiek, maar ook in een relatie, op het werk) denken we weer dat het gaat om

òf lijdzaam toezien, afwachten, mopperend aan de zijlijn staan, klagen, bang zijn òf vechten voor je idealen, macht veroveren, sterk staan.

Dat is niet de keuze, want vechten kan verraad betekenen aan de zaak waar je voor vecht, net als afzijdig blijven dat kan zijn. Fundamenteler is: durven vertrouwen, ondanks alles. Dat is het eenvoudige, maar zo ontwrichtend andere van het nieuw-messiaanse denken. Durven geloven dat het goed komt, daaraan vasthouden en van daaruit handelen, ook als dat betekent dat je ‘afgaat’, voor gek staat, verliest. Om dat te kunnen is het nodig om de eigen, al te menselijke, heroïsche ideaalbeelden telkens weer los te laten. Want baat het een mens de hele wereld te winnen wanneer hij schade lijdt aan zijn ziel?

Tilburg, 16-9-2012 Kees de Groot