Verschenen in Religie & Samenleving 9 (2)

Bestel via: http://www.eburon.nl/religie_en_samenleving

 

In de moderne wereld is de publieke waardering voor sport enorm. Zowel het beoefenen van sport als het toeschouwen ervan zijn uitgegroeid tot bedrijfstakken die ook nog eens structureel worden ondersteund vanuit publieke middelen. 40 miljoen van wat de verkoop van Essent heeft opgebracht besteedt de provincie Brabant aan de sector sport. De scheiding tussen sport en staat is dun.

Sportsocioloog Ruud Stokvis schreef een historisch-sociologische beschouwing over de sociale functies van sport: het vormt kinderen tot sportieve burgers, het bindt mensen samen op lokaal, nationaal en internationaal niveau en laat beoefenaars en toeschouwers deel zijn van een omvattend geheel. De auteur contrasteert de populariteit van sport met de teruggang van religie in West-Europa, vooral in Nederland, maar moet constateren dat het één weinig te maken heeft met het andere. Kerklidmaatschap en lidmaatschap van sportverenigingen hebben hun eigen dynamiek; de opkomst van sport heeft de teruggang van religie niet veroorzaakt; hoogstens kun je stellen dat in onze contreien religie het getij mee, en sport het getij tegen had in de voortschrijdende modernisering. Toch komen door de vergelijking met religie interessante passages uit de sportgeschiedenis naar voren zoals de religieuze oorsprong van de Olympische beweging, de oprichting van sportclubs door jezuïeten en het verzet tegen de ‘sportgekte’ door gereformeerde politici.

De centrale vraag is echter of sport in West-Europa de sociale functies van religie heeft overgenomen en die vraag wordt gematigd positief beantwoord. Natuurlijk hebben, aldus de auteur, ook andere instituties dat gedaan, maar: ‘De slotsom is dat sport in West-Europa een beschavende werking heeft verworven die vergelijkbaar is met die van religie, toen dat[!] nog een bloeiende institutie was.’ (p. 205) In deze formulering komt tot uitdrukking dat Norbert Elias, schrijver van Het civilisatieproces, een belangrijke inspiratiebron is. De auteur vervangt diens deterministische visie op religie door wat hij een ‘gematigd augustiniaanse visie’, noemt, een duur woord voor de grondregel van de godsdienstsociologie dat religie in haar sociale context begrepen moet worden. Deze tak van sport blijkt echter nieuw voor de auteur. Daardoor doet de beschouwing soms wat amateuristisch aan, in de gunstige en minder gunstige zin van het woord.

De tekst getuigt van een frisse en prille belangstelling voor religie. Dat er daardoor af en toe Oude en Nieuwe Testament, en protestanten en katholieken, door elkaar worden gehaald, een paar bisdommen te weinig en een hiërarchische laag (een nationale in de rooms-katholieke kerk) teveel worden geteld is nog niet zo’n ramp. Maar de sociale functies van religie komen er ook bekaaid af. Dat religie mensen met hun lot en sociale positie kan verzoenen en drager kan zijn van protest neemt de auteur niet in zijn analyse mee. Hoe religie een pijler is van de civil society vermeldt hij niet; sterker nog, hij beweert dat daar in Nederland geen onderzoek naar is gedaan (p. 161). Zo wordt de maatschappelijke betekenis van religie onderschat en blijven tal van vragen over de maatschappelijke betekenis van sport ongesteld. Belemmert supporter zijn van Willem II de sociale mobiliteit? Welke rol spelen hockey- en tennisclubs in het bestendigen van sociale ongelijkheid? Zijn kickbokswedstrijden haarden van maatschappelijk verzet? Vragen te over voor een godsdienstsociologisch geïnspireerde sportsociologie.

De interesse van dit boek is vooral een morele. De ene institutie neemt de beschavende werking van de andere over; in een globaliserende wereld passen sport en fair play beter dan religie en de oproep tot naastenliefde, luidt de conclusie. De klassieke vraag is dan natuurlijk: is de inderdaad ongekende belangstelling voor sport vooral de uitdrukking van de bestaande wereld, die in hoge mate wordt beheerst door massamedia en het internationale bedrijfsleven, of gaat er van sportbeoefening, stadionbezoek, of het kijken naar Studio Sport ook een bepaalde maatschappelijke werking uit? De auteur neigt naar het laatste antwoord en draagt daarvoor anekdotisch bewijs aan. Wat hij vertelt smaakt naar meer systematisch onderzoek. Al was het maar om helder te krijgen hoe overheidssteun voor sport zich verhoudt tot haar maatschappelijke opbrengst. Vermoedelijk worden dit soort investeringen meer gestuurd door een gedeeld verborgen geloof dan door pragmatische overwegingen. Maar dat is mijn interesse, niet die van de auteur.

 

Stokvis, Ruud (2014). Lege kerken, volle stadions. Sport en de sociale functies van religie. Amsterdam: Amsterdam University Press, 213 pp, €29,95.